Tielerink knikte. ‘Maar soms komt ze weer terug.

“Tielerink knikte. ‘Maar soms komt ze weer terug. Dan wil Onze Lieve Heer dat ze weer terugkomt.’

Evelien legde haar hand op de knoestige vuist van Tielerink. ‘Ik moet zo weer ‘s gaan. Volgende keer neem ik weer wat lekkers mee.’

‘Wel slecht voor m’n tanden.’

Voor de Brocanterie stapte ze af. Het was bijna vijf uur en het begon al een beetje te schemeren. Toch brandde er geen licht. De auto stond er nog precies zoals hij er vanmiddag eerder had gestaan. Er was niemand te zien.

Evelien liep met onzekere passen naar de winkel, haar fiets naast zich voortduwend. Ze was gewoon een geïnteresseerde dorpsbewoner, een potentiële klant. Wie weet wat voor leuke spulletjes daar allemaal werden verkocht. Even kijken. Elke inlichting zonder verplichting. Koopjes halen en weinig betalen. Ik koop alles wat ik zie bij de Brocanterie. Had dat niet een keer in Het Advertentieblad gestaan? Of misschien in De Toren?

Door het winkelraam probeerde ze naar binnen te kijken, maar er viel niets anders te ontwaren dan de contouren van kasten, stoelen en tafels. Ze zette haar fiets neer en liep naar de zijkant van het huis. In het woongedeelte leek er ook niemand te zijn. Ze bracht haar vinger naar de bel, twijfelde even, maar drukte toen toch. Er klonk een schel gerinkel. Evelien kon niet zeggen waarom, maar het leek erop te duiden dat er niemand in het huis was. Het geluid onderstreepte de verlatenheid van de woning. Ze was weg. Evelien keek nog eens op het naamplaatje. Josje Smulders. Josje. Bart had ook ‘Josje’ tegen haar gezegd.

Waarom was ze weg? Gewoon een vrije dag? Familiebezoek? Ze zou zelf binnenkort weer naar haar moeder moeten. Haar normale ritme was één keer per week.

Evelien bleef treuzelen. Ze keek door het raam van de woonkamer naar binnen, maar zag niets.

Als ze weg was, waarom stond haar auto dan hier? Was ze opgehaald? Wat had dit te betekenen?

‘Daniël en de leeuwen.’ Ze liet Bartjan de tekening in de peuterbijbel zien. ‘Kijk, dit is Daniël, en daar zit een lieveheersbeestje. Maar hij heeft geen stippen op z’n rug.’ Ze las voor: ‘"Daniël hield van God. Hij bad iedere dag. Dat had God gevraagd." Zie je wel, hier is hij aan het bidden, hier is Daniël aan het bidden. "Een paar boze mannen vonden Daniël niet lief. Ze zeiden: ‘Niemand mag meer bidden.’" Zie je wel, hoe boos die mannen kijken? Misschien wordt Daniël wel bang. Kan jij ook zo boos kijken?’

Bartjan deed zijn ogen krampachtig dicht.

‘Nu het volgende plaatje. Daar is Daniël weer en een leeuw, een heel grote leeuw, zie je wel? "Maar Daniël bad wel. Toen gooiden ze hem in de leeuwenkuil." Gemeen, hè, om Daniël zomaar in de leeuwenkuil te gooien? Een leeuwenkuil is een hok voor de leeuwen. Het is natuurlijk niet een kuil in de zandbak. Daar kunnen toch geen leeuwen in, in de zandbak?’

Bartjan lachte uitbundig.

‘O, kijk, hier op het volgende plaatje, daar staan nog twee leeuwen. Oei, die kijken wel erg boos, hè? Wat zullen ze doen? Gaan ze Daniël bijten? Gaan ze gemeen doen tegen Daniël?’

‘Ia.’

‘Nee, ze kijken wel boos, maar ze gaan niet bijten. Mama zal nog even lezen wat er onder dit plaatje staat. "Maar God hielp

Daniël. De leeuwen beten hem niet. Daar had God voor gezorgd." Liefvan God, hè?’ Ze knuffelde Bartjan even. ‘Zo, en nu moetje naar je bedje.’

Bartjan zeurde om nog een verhaaltje.

‘Niks daarvan. Geef papa maar een kusje. Zo, naar je bedje, lekker slapen.’

Toen ze terugkwam in de kamer zat Bart nog de krant te lezen. Hij had ondertussen koffie gemaakt. Ze keek naar hem en kon zich niet voorstellen dat hij zijn aandacht bij de artikelen en berichten had. Ze zuchtte diep, maar hij leek het niet op te merken.

Ze pakte haar boek en legde het weer weg. De titel was ook te veelbetekenend, Het Lied en de Waarheid. De waarheid, welke waarheid, wiens waarheid? Ze stond weer voor die winkel. Het donkere etalageraam. Daarachter de schimmen van oude meubels, de schimmen van het verleden. Haar eigen stem klonk ook. Weg, weg… ze moet verdwijnen, voor altijd. Evelien wist wat de niet uitgesproken woorden hadden moeten zijn. Ze schaamde zich ervoor en toch ook weer niet. Zij was dit alles niet begonnen. Zij kon nooit dader zijn, alleen maar slachtoffer. Bart sloeg ritselend een pagina van de krant om en legde daarna het katern weg. Zij pakte het op en liet haar ogen over de krantenpagina’s dwalen tot ze bij een klein berichtje was. ‘Verpletterd’ stond erboven. ‘Een driejarig jongetje uit Wapenveld is donderdagmiddag verpletterd door een omgevallen boom. Het kind keek toe toen zijn vader en een buurman een boom velden. De politie kon gisteravond geen nadere details verstrekken.'”